“Op de rok van het universum” is een boek dat buiten alle categorie valt. Oosterhoff maakt een verhaal dat verhaalloos is, vormt een plot die eigenlijk geen plot is, introduceert personages die amper als personage herkenbaar zijn. Het is hierdoor onmogelijk te zeggen dat “Op de rok van het universum” een standaardverhaal is. Oosterhoff vuurt verschillende korte alinea’s (mini-plots, zo u wil) op de lezer af, zonder ze op het eerste zicht met elkaar te verbinden. Toch kan hij die mini-plots, waarin intertekstuele elementen in bulk aanwezig zijn, op een ingenieuze manier met elkaar verbinden, op die manier dat ze geen groter verhaal worden, maar wel een connectie met elkaar aangaan en zo geen plot structureren, maar wel zin geven aan het boek.

Knippen en plakken, dat is wat Oosterhoff eigenlijk doet in dit boek, maar dat doet hij niet in het wilde weg. Hij vormt een verhaal op een manier die even chaotisch en verdoken is als het leven zelf. Oosterhoff structureert zijn verhaal en personages op een manier die indruist tegen de alomtegenwoordige structuur van een gewone roman, waar dialogen slechts één thema dragen, waarin iedereen elkaar laat uitspreken en waarin alles in een logisch verband met elkaar staat. Door dit te doorbreken, toont Oosterhoff de gemaaktheid van romans. Wat hij doet in “Op de rok” leunt, op zijn chaotische en banale manier, meer aan bij de realiteit dan een andere roman ooit zal kunnen doen.

Dromen is kijken naar denken.

Oosterhoff toont met “Op de rok van het universum” dan ook dat hij uitstekend heeft onderzocht hoe de mens in elkaar zit. We dromen, we denken, we lezen, we bestaan uit verhalen. Die verhalen zijn vaak banaal, maar de som van hun banaliteit brengt een groter verhaal teweeg: dat van de mens. Toch moeten we steeds aanhalingstekens plaatsen bij zo’n verhaal: de drang naar fictionaliseren is nooit ver weg. Ook hier speelt Oosterhoff mee: terugkerende verhalen veranderen steeds beetje bij beetje, zodat het onmogelijk nog te weten wat echt is en wat niet, wat droom is en wat realiteit, wat een gedachte is en wat de waarheid?

Er zit daarom een onmogelijkheid in het boek om alles te begrijpen, een onmogelijkheid die Oosterhoff er bewust of onbewust heeft ingelegd. Het boek slingert tussen het willen vertonen van banale verhalen in een willekeurige volgorde en het aanzetten van de lezer tot het ontcijferen van het raadsel dat het boek eigenlijk is. In hoeverre zit er een structuur in het boek? In hoeverre is de klaarblijkelijke willekeur die uit het boek naar voren komt, échte willekeur? De lezer weet zelf natuurlijk ook dat Oosterhoff zijn verhaal op een bepaalde manier vertelt, en dat dit onmogelijk willekeur genoemd kan worden. Maar de vraag blijft steeds wat Oosterhoffs bedoeling is met de verdoken structuur in zijn boek en dit is in elk geval onmogelijk te weten.

Wat “Op de rok van het universum” zo uitzonderlijk maakt, is de manier waarop Oosterhoff met intertekstualiteit speelt. Banale verhalen, uit andere teksten gegrepen, kunnen door Oosterhoffs beschrijving eindelijk naar de voorgrond treden, terwijl ze in andere romans in de achtergrond zouden verdwijnen. Het boek lijkt dan wel op een verzameling banale (sensatie)verhalen, maar Oosterhoff kan die loshangende verhalen op zo’n unieke manier aan elkaar weven dat hij zo een echt meesterwerk schept.

Advertisements