Elke jaarwisseling zijn ze daar weer: de goede voornemens. We gaan allemaal minder geld uitgeven, meer sporten, meer aandacht besteden aan onze vrienden en familie. Die goede voornemens zijn een product van onze toekomstgerichte en ook idealistische samenleving: we streven naar een betere toekomst en dat niet alleen op persoonlijk vlak. We laten ons elk jaareinde immers ook overspoelen door goede doelen: als er één moment is om altruïstisch te zijn, dan is het wel met kerst. Dat we de rest van het jaar een “i-don’t-care”-mentaliteit aannemen, laten we hier dan maar mooi achterwege.

Maar laten we eerlijk zijn, zoiets werkt niet. Als we onze blik op het verleden werpen, zien we vuilnisbelten vol goede voornemens, waaronder een groot deel uit januari 2016. We gingen meer hulp bieden aan de vluchtelingen, we gingen weerstand bieden aan een al te nationalistische tendens die zich in het hele westen verspreidt, we gingen opkomen voor de rechten van de vrouw. En toch werd de luchthaven van Zaventem gebombardeerd, toch stapte het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie, toch werd Donald Trump president van de Verenigde Staten en toch woedt de oorlog in het Midden-Oosten voort. Het is duidelijk: goede voornemens werken niet. Maar zonder voornemens om ons aan vast te houden, zonder hoop om ons aan op te trekken, bereiken we ook niets.

Hoe maken we iets van de toekomst? We zouden ook een andere vraag stellen: is er nog een toekomst? Een algemeen pessimisme maakt zich stilaan van ons meester: wat we ook doen, de klimaatverandering is niet meer te stoppen. Toch zal 2017, volgens een opinie uit Vrij Nederland (15 december 2016), het jaar van het klimaat zijn. Het bewustzijn is er eindelijk! Maar dat wil niet zeggen dat iedereen nu weer op zijn lauweren mag gaan rusten. We hebben een halve overwinning bereikt, maar we zijn er nog lang niet. Een consensus over de staat van klimaat wil niet zeggen dat we er vanaf nu over kunnen zwijgen. Het wil zeggen dat we er juist méér over moeten schrijven. We mogen onze ogen niet sluiten voor het sluimerend optimisme dat duidelijk nog leeft: zelfs als we niets meer aan de opwarming van de aarde kunnen veranderen, kunnen we wel proberen er zoveel mogelijk aan te veranderen. En die verandering start met erover te communiceren.

Maar waar moeten we nog over schrijven in een wereld waarin alles al gezegd lijkt te zijn? Moeten we de algemene opinies blijven volgen? Moeten we voor de tigste keer zeggen dat we milieubewust moeten leven omdat het leven zelf anders onhoudbaar wordt? Moeten we zeggen dat “Zwarte Piet” een onbruikbare term is, omdat we anders volgens de publieke opinie racist zijn, of mogen we afzijdig blijven van die term omdat we zelf geloven dat we anders mensen kwetsen? En, nog belangrijker, is het erg om geen mening te hebben? Mogen we ons afzijdig houden van het Zwarte Pieten-debat, omdat andere en dringendere zaken onze aandacht vragen? Mogen we nog schrijven over niet-actuele zaken, of over zaken die de toekomst juist niet aangaan? Mogen we eigenlijk nog kiezen waarover we schrijven of moeten we schrijftrends volgen, waardoor elk komend opiniestuk van dit jaar gedoemd is te gaan over terrorisme, een opkomend nationalisme in het westen, genderdiscriminatie of racisme. The usual.

Wat het ook zal zijn, schrijven moeten we. Ik zie geen duidelijke toekomst voor mijzelf, ik zie geen duidelijke toekomst voor de wereld. Maar schrijven moeten we.

We maken alleen iets van de toekomst als we allemaal meer voor onze mening uit zullen komen. Ik pleit voor een toekomst waarin Amerikaanse burgers niet schuwen om te gaan stemmen, omdat ze geloven dat andere kiezers wel de geschikte president zullen kiezen. Ik geloof in een toekomst waarin meer mannen voor gendergelijkheid zullen opkomen, omdat ze oprecht geloven dat hun mannelijkheid daar niet door zal aangetast worden. Ik zie een toekomst waarin ook Syrische journalisten hun verhaal op mondiale basis kunnen verspreiden en waarin Facebook fake news, dat de politiek danig kan beïnvloeden, laat verdwijnen. Ik wil een toekomst waarin we de voorgekauwde, westerse en onderhuids patriarchale berichtgeving aan de kant schuiven voor een transparante journalistiek, waar iedereen (man, vrouw en x, ongeacht ras, religie, dieet of politieke overtuiging) een kans krijgt zijn mening te verkondigen.

Onze contexten scheiden ons van elkaar, inderdaad. Een vrouw schrijft anders dan een man, een inwoner van Aleppo schrijft anders dan een inwoner van Barcelona of Hiroshima of Chicago. Een moslima schrijft anders dan een orthodoxe jood. Een vegetariër verschilt van mening met een vleeseter en een liberaal staat niet altijd op gelijke voet met een socialist. Onze contexten en ervaringen tellen, ze zijn belangrijk voor onze ontwikkeling, voor wie we zijn, voor de meningen die we vormen. Maar wat ons bindt is onze menselijke ervaring. Ons mens-zijn, dat is wat moet doorklinken in wat we schrijven, niet datgene wat ons van elkaar scheidt. Hoe meer we iedereen aan het woord laten komen, hoe meer zicht we zullen krijgen op hoe we van elkaar verschillen, maar ook op hoe we juist hetzelfde zijn. We zijn allemaal mensen met een mening. We hebben allemaal het recht die mening op een gelijkwaardige manier te communiceren. Laten we daarom, om onze toekomst echt een toekomst te laten zijn, niet alleen het woord geven aan degenen die het al met ijzeren vuist hebben vastgegrepen, maar ook aan degenen die evenwaardige ideeën te verkondigen hebben, maar slechts op de grenzen van mondigheid balanceren. En dat begint met het woord niet alleen aan mannen, maar ook aan vrouwen te geven. Wie weet hoe de toekomst er dan zou kunnen uitzien.

Advertisements