Er is recent een hernieuwd enthousiasme voor het schrijverstalent dat Louis Couperus heet. Zo herwerkte Ivo van Hove in 2015 een eerste boek van van Couperus voor het toneel (‘De Stille Kracht’), in 2016 volgde een bewerking van ‘Van oude mensen, de dingen, die voorbij gaan…’.

Van oude mensen, de dingen, die voorbij gaan… bewijst dat Couperus niet zomaar een ouderwetse auteur is die recentelijk weer uit de oude doos is gehaald. Couperus beschrijft dingen die, hoewel ze zich tegen een achtergrond afspelen die de eenentwintigste-eeuwse lezer zich niet altijd zo goed kan voorstellen, op alle tijden en alle mensen van toepassing zijn, zoals het echte literatuur betaamt.

Het boek verhaalt een mysterie dat al zestig jaar binnen een (grote) familie sluimert en leeft, waarvan niemand, aanvankelijk, weet heeft, maar dat uiteindelijk een grote tragedie blijkt te zijn waarover elk familielid zijn mening vormt. Het mysterie zelf is uiteindelijk niet zo van belang voor het verhaal, maar vormt de schakel tussen de verschillende personages en bindt de familie aan elkaar, contradictorisch genoeg, aangezien de tragedie hen ook van elkaar doet vervreemden.

Het is vooral de karakterisering van de personages die het boek draagt. Deze karakterisering lijkt in eerste instantie nogal stereotiep (logisch voor een boek uit het begin van de twintigste eeuw), maar Couperus zorgt ervoor dat de stereotypering werkt. Ook blijkt Couperus vernieuwend te zijn: genderrollen zijn niet altijd wat ze lijken te zijn. Zo is in de relatie van de personages Lot en Elly het juist Elly die de broek draagt en een voorbarig feministisch standpunt naar voren doet komen.

‘Verdómde vrouwen!’ riep Pauws. ‘Ze zijn allen… ze zijn allemaal…’
‘Niet zo spreken, vader…’
Hij kon niet uit zijn woorden komen.
‘Neen vader, ze zijn niet “allemaal”… Ze zijn ieder weêr wat anders… en wij ook… Niet zo praten van “mannen” en “vrouwen”. We zijn allemaal arme, zoekende, dwalende mensen… Láát haar zoeken: dat is haar leven. Al zoekende, doet ze mooie, goeie dingen… Meerdere en betere dan ik…’

Misschien is dit een van de reden waarom Couperus vandaag de dag nog zo aanslaat.

Tot slot blijft vooral Couperus’ stijl opmerkelijk. Het boek is doorspekt met prachtige beschrijvingen die niet elke lezer zal kunnen waarderen, maar die wondermooi passen in de algehele sfeer van het verhaal. De zinnen die Couperus vormt maken hem tot de gevierde auteur die hij is.

De kopergloeiende bladeren der platanen, plotseling, woeien over het druivenportiek, verstrooid dor de plotse, ruwe handen van de blij opdriftigende wind. Een huiveren ging door de verwarde rozenstruiken; een zwaarrijpe peer víél neêr. Het was de herfst en noch Aldo, noch Ottilie waren jong, waren jóng… En toch… toch hadden zij dit gevonden, en wie weet wat zij reeds vroeger gevonden hadden, ieder langs verschillende paden?

Iedereen zou in staat kunnen zijn de plot te verzinnen die in Van oude mensen, de dingen, die voorbij gaan… beschreven wordt, maar weinigen kunnen het zo beschrijven als Couperus het doet. Dat maakt van hem een klasse-auteur die een eeuw later nog steeds, met toestemming van het publiek, in het culturele leven vertoeft.

Advertisements